Verfijn hieronder op onderwerp

Box 2.1 Kabinetsaanpak crisis

De kabinetsaanpak is gericht op het dempen van de directe, schadelijke gevolgen van de crisis. Tegelijk wordt gewerkt aan het noodzakelijke herstel van economie en overheidsfinanciën op de langere termijn.

  • Spaargeld veilig stellen en kredietverlening op gang houden.
    Het kabinet heeft meerdere malen flink ingegrepen in de Nederlandse financiële sector, onder andere door garanties, leningen, kapitaalinjecties en aandelenovernames, waaronder de aankoop van ABN-AMRO/Fortis. Een gezond bankwezen is op diverse manieren essentieel voor elke Nederlandse burger. Het bankwezen zorgt ervoor dat we onderlinge betalingen kunnen doen. Zonder banken geen internetbetalingen, girale overschrijvingen of pinautomaten. Verder heeft vrijwel iedere Nederlander een directe- of indirecte aanspraak op banken. Als banken failliet gaan verliezen spaarders hun geld. Daarnaast zullen pensioenfondsen grote verliezen lijden wat een lager pensioen of hogere premies betekent. Tot slot zijn veel Nederlanders afhankelijk van het bankwezen voor krediet. Zonder bankwezen kunnen alleen mensen die al veel geld hebben een huis kopen of een bedrijf beginnen. De werkgelegenheid van mensen ver buiten de financiële sector is ook sterk afhankelijk van de gezondheid van de financiële sector; als spaargeld verdwijnt en lenen niet meer mogelijk is zullen burgers minder consumeren en bedrijven minder investeren. Zonder een goed werkend financieel stelsel hapert de kredietverlening en komt het herstel niet goed van de grond.
  • Op peil houden van voorzieningenniveau.
    De Nederlandse economie krijgt in totaal in de jaren 2009–2010 een impuls van ruim 60 miljard euro door de zogenoemde automatische stabilisatie. Tegenvallers, bijvoorbeeld door lagere inkomsten, zijn geen reden voor bezuinigingen of voor verhogen van belastingen en premies. De overheidsuitgaven worden op peil gehouden. Hierdoor wordt voorkomen dat begrotingsbeleid de economische neergang verder versterkt.
  • Gerichte stimuleringsmaatregelen in 2009 en 2010.
    Het kabinet trekt in totaal ruim 6 miljard euro uit voor het stimuleren van de economie. Medeoverheden voegen hier voor 1,5 miljard euro aan toe door eigen stimuleringsplannen. De maatregelen richten zich op het herstel en behoud van werkgelegenheid, op een versterkt en veerkrachtig bedrijfsleven en op het beperken van verdere vraaguitval. Tegelijkertijd zorgen de maatregelen ervoor dat Nederland sterker, slimmer en duurzamer uit de crisis kan komen.
  • Vanaf 2011 naar herstel van overheidsfinanciën.
    Het kabinet streeft naar een zo spoedig mogelijk herstel van de overheidsfinanciën, maar dit mag het fragiele herstel van de economie niet schaden. Zowel het moment als de omvang van het terugdringen van het begrotingstekort is daarom afhankelijk gesteld van het tempo van het economische herstel. Nederland is bereid de daarvoor benodigde minimum inspanningen wettelijk vast te leggen. In economisch goede tijden wordt een grotere inspanning geleverd, conform de Europese afspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact. De minimale jaarlijkse structurele saldoverbetering wordt vastgelegd in de Wet tekortreductie rijk en medeoverheden. Het kabinet heeft verder bij Voorjaarsnota besloten tot 1,8 miljard euro aan bezuinigen vanaf 2011. Afhankelijk van de hoogte van de economische groei in 2011 wordt dit bedrag ingezet voor schuld- en tekortreductie of ingezet om in 2011 (enkele) maatregelen uit het stimuleringspakket voort te zetten.

    In het ABK is ook een verwachte besparing opgenomen van 3,2 miljard euro als gevolg van de doorwerking van een akkoord van sociale partners op lonen en uitkeringen in de collectieve sector. Dit vanuit de gedachte van solidariteit van de collectieve sector met de marktsector, met mensen die hun baan hebben verloren of dreigen te verliezen en met gepensioneerden. De veronderstelde besparing van 3,2 miljard euro is gebaseerd op een 'nominale nullijn' voor nieuwe cao’s en het ongemoeid laten van lopende cao’s. Met het oog op deze solidariteit heeft het kabinet er voldoende vertrouwen in dat sociale partners zullen komen tot een loonvraag die zal leiden tot een contractloonstijging naderend tot nul. Als de lonen in de markt niet of minder worden gematigd dan verondersteld, komt de besparing lager uit. In het aanvullend beleidsakkoord is afgesproken dat het kabinet in dat geval, mede in zijn rol als overheidswerkgever, op enigerlei wijze vanuit de collectieve sector zal bijdragen aan solidariteit met de marktsector, met mensen die hun baan hebben verloren (of dreigen te verliezen) en met gepensioneerden. Als de huidige loonontwikkeling doorzet dan zal de besparing van 3,2 miljard euro niet (volledig) gerealiseerd worden. Het kabinet houdt op dit moment de loonontwikkeling nauwlettend in de gaten. In het najaar wordt de loonvraag vanuit de vakbonden definitief vastgesteld. Als de huidige loonontwikkeling zich voortzet, zal het kabinet bezien welke maatregelen noodzakelijk zijn.

  • Lange termijn: zekerheid over betaalbaarheid en beschikbaarheid collectieve voorzieningen.
    De burger moet kunnen vertrouwen op de toekomstige betaalbaarheid en toegankelijkheid van onze collectieve voorzieningen, zoals zorg, sociale zekerheid en pensioen. Daarom kiest het kabinet voor een krachtig pakket van maatregelen die de financiële houdbaarheid versterken. Het gaat daarbij om het structureel beheersen van de zorguitgaven, het geleidelijk op laten lopen van het eigenwoningforfait voor dure woningen en het voornemen om de AOW-leeftijd te verhogen naar 67 jaar, rekeninghoudend met zware beroepen. Dit houdbaarheidspakket kan een structurele besparing opleveren van 1,3 procent bbp. De SER is de mogelijkheid gegeven om alternatieven aan te dragen voor de voorgestelde AOW-verhoging.

Voeg toe aan Mijn Miljoenennota Bron: Miljoenennota, Hoofdstuk 2, Hoofdlijnen van beleid 2010, pagina 23 (PDF, 67 kB)